Denken over denken
Eén van de meest fascinerende aspecten aan ons mens-zijn is het vermogen om na te denken. Om ons bewust te zijn van onze gedachten en ook over dat bewustzijn te kunnen reflecteren. De vraag “Wat is bewustzijn” houdt de mens al enorm lang bezig. In dit lessenpakket zullen we een overzicht geven van verschillende onderzoeksmethodes uit verschillende academische disciplines zoals de filosofie, de psychologie, neurobiologie en kunstmatige intelligentie.
1. Filosofische geschiedenis van de Psychologie 

De voornaamste academische discipline die zich bezig houdt met de studie van ons menselijk denken is de psychologie. Psychologie is pas in de 19e eeuw een onafhankelijke academische discipline geworden. Voordien was denken over denken voornamelijk een filosofische aangelegenheid. Over dat filosofische gedachtegoed zullen we het hier hebben.

2. Moderne filosofie

Klassieke filosofen zoals Aristoteles en Plato dachten al uitvoerig na over de menselijke geest. De term psyche is uit het Oud-Grieks afkomstig, en stond voor geest of ziel, maar dan ziel in een pre-christelijke betekenis.

De opvatting van een stoffelijk lichaam met een onstoffelijke ziel of geest, zoals we die nog in verschillende religies terugvinden, is vergelijkbaar met die van de Franse filosoof Descartes.

2.1 Descartes’ dualisme

Na het succes van de natuurwetenschappen in de 17e eeuw deden zich enkele belangrijke ontwikkelingen voor in de westerse filosofie, waaronder de mechanisering van het mensbeeld.

Moderne filosofen zoals René Descartes (1596 - 1650) stelden onder invloed van Newtons wetten van de mechanica ook de mens voor als een machine dat aan dezelfde fysische krachten beantwoordde als de rest van de natuur.

Descartes kon echter niet aanvaarden dat ook het mentale aspect van de mens op die mechanische wijze zou functioneren, en stelde daarom dat onze psyche van een andere aard zou zijn dan ons fysische lichaam.  Hij introduceerde daarmee een dualiteit tussen lichaam en geest. Hij stelde dat het lichaam door middel van fysische theorieën zoals Newtons mechanica beschreven en begrepen kon worden, maar dat alle mentale fenomenen van een andere, ‘meta-fysische’ aard waren. Metafysica werd gedefinieerd als iets wat de natuurlijke, waarneembare wereld overstijgt, iets wat de natuurkunde te boven gaat en enkel door middel van filosofisch redeneren kon worden bestudeerd. Aangezien de geest volgens Descartes geen empirische basis had, zou het niet voor de wetenschappelijke methode van de natuurkunde toegankelijk zijn.

2.2 Verkapt materialisme

Het succes van de natuurwetenschappen en de wetenschappelijke methode bleef stijgen en latere generaties onderzoekers konden niet langer voldoening vinden in Descartes’ verklaring van de geest als een zuiver immaterieel verschijnsel dat aan wetenschappelijk onderzoek ontsnapt.

Ze gingen evenmin over op een puur materialistisch mensbeeld. De opvatting dat mentale verschijnselen verklaarbaar moesten zijn in termen van fysica en fysiologie en dat de geest reduceerbaar zou zijn tot materie en dus door middel van dezelfde fysische processen als de rest van de natuur verklaard moest kunnen worden, ging alsnog te ver.

Ze stapten daarom over op een mildere vorm van het dualisme, een soort vermomd dualisme (ook wel verkapt materialisme genaamd), en stelden dat als er natuurlijke wetten of krachten waren voor de rest van de natuur, die er ook zouden zijn voor de wereld van de geest.

Samen met Descartes dachten ze dat de geest van een andere orde was dan de rest van de natuur, maar in tegenstelling tot Descartes waren ze er van overtuigd dat de wetten van de geest wel door middel van de wetenschappelijke methode konden worden bestudeerd.

Doordat mentale verschijnselen zoals bewustzijn zich enkel binnen de grenzen van het menselijk lichaam voor leken te doen, zijn ze moeilijk waar te nemen. In tegenstelling tot normale fysische verschijnselen, kan je mentale fenomenen zoals gedachten niet onder een microscoop plaatsen om ze te bestuderen. De generatie onderzoekers na Descartes introduceerde daarom introspectie als methode om de mentale wereld te bestuderen. Ze stelden hun eigen voelen en ervaren als basis en meenden dat ze op die manier in staat waren om de rationele vermogens van de mens zoals denken, waarnemen en herinneren objectief en wetenschappelijk te bestuderen. Op die manier ontstond de bewustzijnspsychologie als onderdeel van de filosofie. Men ging door middel van introspectie op zoek naar de vermeende wetten die zintuiglijke informatie afkomstig uit de omgeving om zouden zetten in mentale dingen zoals ideeën, herinneringen en gedachten.

2.3 Associatiepsychologie

Uit de empiristische filosofie van Britse denkers als John Locke (1632-1704) ontstond vervolgens de associatiepsychologie. Het onderzoeksgebied van de associatiepsychologie sloot nauw aan bij de epistemologie. Epistemologie of kennistheorie is een tak van de filosofie die zich bezighoudt met de vraag naar betrouwbare kennis. Net als epistemologen, vroegen associatiepsychologen zich af waar kennis vandaan kwam, wat goede kennis was en wat niet.

John Locke stelde de mens voor als een ‘tabula rasa’, een onbeschreven blad dat zonder kennis werd geboren. Alle kennis die de mens tijdens zijn leven vergaarde, kwam volgens hem voort uit ervaring. Het bewustzijn van de mens was volgens Locke aanvankelijk leeg en zou via de zintuigen geleidelijk aan gevuld worden met ideeën. Locke stelde zich voor dat er iets als absolute kennisdeeltjes moest bestaan en dat die door middel van onze zintuigen afdrukken nalieten in ons bewustzijn. Die afdrukken vormden onze voorstellingen of ideeën.

Net zoals de natuurfilosofen vanuit de atoomtheorie het bestaan van ‘atomos’ of ondeelbare deeltjes materie hadden verondersteld, gingen empiristische filosofen of associatiepsychologen uit van het bestaan van minimale kennisdeeltjes.

Die kleinst mogelijke deeltjes van kennis noemde Locke gewaarwordingen, of in het Engels sensations. Door middel van psychische processen zouden die gewaarwordingen omgezet worden in ideeën en het was de taak van de associatiepsycholoog om die processen te achterhalen.

Kleine stukjes kennis of gewaarwordingen kwamen dus volgens de associatiepsychologie via de zintuigen binnen in het aanvankelijk lege bewustzijn. Daar werden ze door middel van interne processen, ook wel associatiewetten genoemd, omgezet tot ideeën. En het zijn die ideeën waar ons denken uit zou bestaan.

Aangezien onze ideeën vanuit dit filosofisch model afdrukken waren van absolute kennisdeeltjes uit de realiteit waren die ideeën automatisch waar. Dat nam niet weg dat al onze opvattingen ook automatisch waar waren. Door de manier waarop associaties werden gelegd tussen de ideeën konden er fouten ontstaan. Maar aan de ‘waarheid’ en aan het bestaan van sensations of gewaarwordingen als minimale stukjes kennis werd niet getwijfeld. 

Op dit kennismodel kwam kritiek, in eerste plaats uit het empirisme zelf.

George Berkeley (1685-1753) stelde net als alle overige empiristen onze zintuiglijke waarneming als bron van kennis, maar vond dat we op basis van onze waarnemingen niet uit konden gaan van het bestaan van een materiële werkelijkheid, laat staan van minimale kennisdeeltjes. Het enige waar we volgens Berkeley zeker van kunnen zijn, is dat we waarnemingen hebben. Hij vond echter dat die waarnemingen niet zomaar uit zichzelf konden bestaan. Ze moesten ergens vandaan komen, en aangezien ze geen materiële grond hadden, veronderstelde hij een immateriële bron, namelijk een soort supergeest of god.  

David Hume (1711-1776) ging verder op het werk van Berkeley. Hij wees alles af waar geen empirische grond voor was en redeneerde dat als er geen enkele grond was om het bestaan van een externe realiteit te erkennen, we evenmin het bestaan van een supergeest of god als bron van onze waarnemingen konden erkennen. Het enige waar we zeker van kunnen zijn is dat we voorstellingen hebben. We kunnen niet weten waar die vandaan komen en dus is er ook geen manier om na te gaan of onze waarnemingen waar zijn. Bewustzijn gold voor hem als niets meer dan een serie voorstellingen of perceptions.

 

Bronvermelding

Bem, S. (2008), Psychologie: historische en filosofische afkomst, Den Haag: Boom/Lemma.