Geschiedenis van de archeologie (deel 1)
Voor de 19e eeuw was er niet echt sprake van archeologie. Sommige geleerden legden weliswaar verzamelingen aan en beschreven hun vondsten maar dat gebeurde over het algemeen zonder veel systematiek. De vondsten en het vroege archeologische werk dat in die tijd werd gedaan, valt uiteen in twee interessegebieden: dat van kunstverzamelaars rond het Middellandse Zeegebied en dat van de nationale archeologie in Noordwest-Europa.
1. Kunstverzamelaars in het Middellandse Zeegebied

Sinds de Renaissance kwam er een hernieuwde interesse in klassieke schrijvers en hun teksten. Op die manier raakte men in Europa bekend met het rijke verleden van de Grieken, de Romeinen en de Egyptenaren. Men ging op zoek naar oude monumenten en kunstwerken en verzamelde de rijkdommen die men kon vinden.

De eerste grote opgravingen vonden plaats in de loop van de 18e eeuw in het Middellandse Zeegebied. Hierbij werden nog geen opgravingstechnieken gebruikt, de opgravingen bestonden eerder uit willekeurige zoektochten naar waardevolle voorwerpen.

1.1 Pompeii en Herculaneum

In de 18e eeuw werden Pompeii en Herculaneum opgegraven[1], twee Romeinse steden in de buurt van Napels die door de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr. bedolven werden door as, puimsteen, modder en lava. Door die unieke omstandigheden zijn de steden in een uitstekende staat bewaard gebleven. Je kunt als bezoeker nog steeds rondlopen door de Romeinse straten en de luxe huizen en villa’s van het historische Pompeii bewonderen.

Ook de lichamen van heel wat bewoners bleven geconserveerd. De meeste inwoners zijn gestikt door de giftige gaswolken die met de vulkaanuitbarsting gepaard gingen. Veel van de bewoners van Pompeii zijn aangetroffen in de exacte houding waarin ze zijn gestorven. Sommigen in hun huis, anderen in foetushouding, schuilend onder een omgedraaide boot. Wie het verstikkende gas overleefde, werd bedolven onder stukken puimsteen of raakte ingesneeuwd in modderstromen of asregens.

De door modderstromen bedekte lichamen lieten duidelijke hulzen na. Die hulzen werden later gevuld met gips en op die manier zijn verschillende mensen in hun stervenshouding vereeuwigd.

[afbeelding]

In Herculaneum zijn de meeste inwoners wellicht kunnen vluchten toen ze zagen wat er in Pompeii aan het gebeuren was, want daar zijn aanzienlijk minder lijken teruggevonden. Wel bleef ook daar de stad bijna bevroren in de tijd bewaard.

1.2 Knossos

Een andere archeologische vondst in het Middellandse zeegebied, was die van de Minoïsche beschaving op Kreta. Daar werden voor het eerst opgravingen gedaan in 1878 in Knossos, op de plek waar het paleis van de mythische koning Minos zou hebben gestaan. Net als de opgravingen in Herculaneum en Pompeii waren ook deze opgravingen erg chaotisch en ondeskundig. De opgravingen werden uitgevoerd onder leiding van Minos Kalokairinos, een koopman uit Heraklion. Kalokairinos verkocht vele vondsten aan verschillende musea in Europa. Een  groot deel van de gevonden schatten hield hij echter zelf, en die zijn tijdens de revolutie op Kreta in 1898 vernietigd.

Na de onafhankelijkheid van Kreta in 1900 slaagde Arthur Evans (1851-1941), een rijke Brit, erin de opgravingen in Knossos te kopen. Hij huurde werklieden in om het paleis verder op te graven en deed er aanvullend onderzoek tot 1931. Hij liet het paleis gedeeltelijk restaureren, maar dat deed hij voornamelijk op basis van zijn eigen inzichten, zonder wetenschappelijke onderbouwing.

Het resultaat daarvan kunnen we nog steeds bezoeken.

Rond dezelfde periode als de opgravingen van Pompeii, Herculaneum en Knossos, werden de Mykeense beschaving in Griekenland en de historische stad Troje aan de Westkust van Turkije door de Brit Flinders Petrie (1853-1942) blootgelegd. Petrie was eveneens actief in Egypte en heeft belangrijke vernieuwingen aangebracht in de gebruikte opgravingstechnieken zodat de archeologische sites minder beschadigd zouden raken.

1.3 De Steen van Rosetta

Een taalkundig belangrijke vondst was de Steen van Rosetta uit Egypte.

In 1798 trok Napoleon Bonaparte met zijn troepen door Egypte. Hij liet zich daarbij vergezellen door een groep geleerden, wiens taak het was de Egyptische beschaving uitvoerig te bestuderen.  Een jaar later, in 1799, vond één van zijn soldaten in Rosetta een steen waar in drie talen inscripties op stonden. Bovenaan stond een tekst in Egyptische hiërogliefen, in het midden stond dezelfde tekst in het Demotisch schrift en onderaan in het Grieks. De steen werd naar zijn vindplaats ‘de Steen van Rosetta’ genoemd en leidde tot de ontcijfering van het Egyptische hiërogliefenschrift.

De steen van Rosetta dateert uit 196 vot. en bevat een decreet van koning Ptolemaios V over belastingen en het oprichten van beelden in tempels. Toen de Britten de Fransen in 1801 in Egypte versloegen kwam de Steen van Rosetta als oorlogsbuit in het British Museum terecht. De vertaling van de Griekse tekst werd kort daarna (in 1803) gepubliceerd. Vervolgens begonnen de Zweed Johan David Åkerblad en de Fransman Antoine-Isaac Silvestre de Sacy de Demotische tekst te bestuderen. Het Demotisch is een oude Egyptische handelstaal. Op basis van de Griekse vertaling kon men enkele eigennamen, plaatsnamen en de titel identificeren. De geleerden namen aan dat het Demotisch een alfabetisch schrift was, maar dat bleek slechts gedeeltelijk zo te zijn en door die aanname werd verder vertalen problematisch.

In 1814 weidde de Brit Thomas Young (1773-1829) zich opnieuw aan de tekst. Op basis van zijn veronderstelling dat het Demotisch een mix was van alfabetische en logografische tekens maakte hij belangrijke vorderingen. Zijn werk werd in 1819 gepubliceerd.

De Franse linguïst Jean-François Champollion (1790-1832) las Youngs werk en zou uiteindelijk het vertaalproces van de Steen van Rosetta voltooien. Dat kon hij dankzij zijn 

kennis van het Koptisch. Het Koptisch is een voortzetting van het Oud-Egyptisch, maar wordt geschreven in het Griekse schrift en bevat ook enkele Demotische kenmerken. Champollion werkte verder aan Youngs hypothese over de tweedeling van het hiërogliefenschrift en vermoedde dat vreemde namen alfabetisch weergegeven waren, terwijl Oud-Egyptische namen en de tekst zelf in logografische tekens waren neergezet. Het hiërogliefenschrift bevat echter te weinig tekens om een zuiver logografisch systeem te zijn en na de studie van enkele andere Oud-Egyptische teksten kwam Champollion op het idee dat hij met een gemengd fonetisch-logografisch schriftsysteem had te maken. Op basis van die aanname kon hij het Egyptische hiërogliefenschrift uiteindelijk kraken.

Bekijk het artikel Taal en schrift voor meer informatie over schriftsystemen en taalfamilies.

2. Nationale archeologie van Noordwest-Europa

De weelderige overblijfselen van de Mediterrane culturen zijn uiteraard slechts te vinden waar die culturen gevestigd waren: rond de Middellandse Zee. In het noorden en het noordwesten van Europa zijn aanzienlijk minder kunstzinnige vondsten gedaan. Maar ook daar kwamen vroege archeologen in aanraking met sporen van het verleden.

2.1 Stonehenge

In Engeland en Scandinavië werd vanaf de 17e eeuw aan veldonderzoek gedaan. Eén van de belangrijkste archeologische vondsten van Groot-Brittannië is uiteraard Stonehenge. Deze megalithische structuur werd door William Camden (1551-1623) ontdekt, maar het waren John Aubrey (1626-1697) en William Stuckeley (1687-1765) die op de historische waarde van de vondst hebben gewezen.

[Afbeelding]

In 2014 heeft een groep bio-ingenieurs aan de universiteit van Gent [2] door middel van gedetailleerde bodemscans ontdekt dat het landschap rond Stonehenge nog veel meer prehistorische sporen bevat dan aanvankelijk werd aangenomen. Het gebied zal in de komende jaren verder worden uitgekamd.

2.2 Runenvondsten

In Scandinavië werden heel wat runenvondsten gedaan. Het runenschrift is het oudst bekende schrift van de Germanen. Het runenalfabet, het Futhark genaamd,  bestaat uit vierentwintig tekens die we runen noemen. Zie artikel over het ontstaan van het schrift.

Het runenschrift werd voornamelijk gebruikt voor korte inscripties die op steen of hout werden gekrast. In Scandinavië zijn bijgevolg heel wat runenstenen gevonden. De Zweedse archivaris Johannes Bureus (1568-1654) schreef verscheidene studies over de runenstenen die hij had onderzocht.

2.3 Megalithische graven

Ook in Frankrijk kwam er interesse voor de nationale archeologie. Zo werd er in de 17e eeuw onderzoek gedaan naar megalithische graven.  In 1653 werd het graf van Childerik (481), de vader Clovis, ontdekt in Doornik. De vondst van het graf wekte de interesse op naar de geschiedenis van de Merovingers. En Napoleon III liet onderzoek verrichten naar de kampen die Julius Caesar achter had gelaten na zijn verovering van Gallië.

 

Voetnoten

Bronvermelding

  • Bourgeois, J. (2011), Algemene Inleiding in de Archeologie. Gent: Universiteit Gent.
  • Renfrew C., & Bahn P. (1996), Archaeology: Theories, Methods and Practice. London: Thames & Hudson.